Raadsvragen van het raadslid J. Vleeshouwers inzake der financiele positie van de grote basisschoolbesturen in Eindhoven
08-04-2008

Onderwijsvakbond AOb meldt dat veel basisscholen meer sparen dan nodig is. De landelijke pers meldt o.a.:

'Basisscholen hebben genoeg geld'.

Door Gerard Reijn
gepubliceerd op 3 april 2008 07:10, bijgewerkt op 3 april 2008 08:26

AMSTERDAM - Katholieke scholen in het basisonderwijs zijn niet rijker dan openbare. Ook het algemeen bijzonder onderwijs (zoals Montessori en Dalton-onderwijs) is niet rijker dan de doorsnee openbare school. Alleen de protestants-christelijke basisscho­len zijn duidelijk rijker.

Dat blijkt uit een onderzoek dat onderwijsvakbond AOb vandaag publiceert. De financiële gegevens van alle schoolbesturen in het basisonderwijs staan op van de bond.

Arme scholen zijn er nauwelijks, volgens de AOb. ‘Het is rijk, rijker, rijkst', zegt vak­bondsbestuurder Liesbeth Verheggen. Alle basisscholen samen hebben 2,1 miljard op de bank staan, en in 2006 spaarden ze nog eens 84 miljoen, oftewel 20 duizend euro per school.

Zuinig
Scholen mogen van Verheggen wel eens wat minder zuinig worden: ‘Vaak hebben ze niet eens een personeelskamer. En als die er al is, is het meubilair tweedehands. Het is dat gevoel van armoede: niets kan, en elk dubbeltje moet omgedraaid. Daar moe­ten we vanaf.'

Verheggen pleit niet voor het aannemen van meer personeelsleden. ‘Dan krijg je structurele extra kosten en is het geld zo op.'

Hoe minder scholen een bestuur heeft, hoe meer het oppot. Scholen op het platte­land sparen meer dan die in de stad. Volgens onderzoeker Yvonne van der Meent verklaart dat ook de relatieve rijkdom van de protestants-christelijke scholen. ‘Dat zijn vaak eenpitters, en ze staan op het platteland.'

De rijkste school
De AOb gebruikte voor zijn onderzoek gegevens van het ministerie van Onderwijs van alle 1.272 schoolbesturen. Daarbij is vooral gekeken naar de solvabiliteit. Bij basisscholen ligt die gemiddeld op 61 procent. De rijkste school, Eben Haëzer in het Zuid-Hollandse dorp Langerak, haalt 93 procent. Eben Haëzer had in 2006 ruim 550 duizend euro op de bank.

Het Ministerie van Onderwijs zegt dat de AOb geen goede maatstaf heeft gekozen voor rijkdom. Het ministerie hanteert voor het voortgezet onderwijs al een andere maatstaf. Wat telt is hoe lang een school vooruit zou kunnen als alle inkomsten plot­seling wegvallen. In het basisonderwijs zou het uitkomen op gemiddeld drie maan­den. Dat lijkt het ministerie ‘heel redelijk'. 

Basisscholen verrichten uitstekend werk, maar door inzet van deze spaartegoeden kan wellicht (voor bijvoorbeeld bijzondere doelgroepen nog) meer bereikt worden. Wij nemen aan dat het college deze berichten met de nodige interesse heeft gelezen en zich eveneens afvraagt of de Eindhovense basisscholen niet teveel geld oppotten.

Naar aanleiding hiervan heeft de Stadspartij de volgende vragen:

1 Heeft het college de overtuiging dat het geld dat beschikbaar is voor het onder­wijs allereerst moet worden ingezet voor onderwijs en pas als het werkelijk óver is, voor een spaartegoed?

Dit zijn de gegevens die de AOb geeft over 2006 van de twee grootste schoolbesturen in Eindhoven:

 

Bestuur/instelling:

SKPO

SALTO

Totaal baten

52.510.663

31.026.331

Rentabiliteit

1,30

2,10

Resultaat uit gewone bedrijfsvoering

672.447

672.276

Eigen vermogen

10.880.566

11.119.062

Liquiditeit

6.271.325

8.366.273

Liquiditeit current ratio

1,45

2,77

Financiële vaste activa

13.480.591

3.931.443

Solvabiliteit

39%

65%

 

De rentabiliteit van SALTO en SKPO zitten tegen de bovengrens aan van de norm van het ministerie, evenals de solvabiliteit van SKPO. De liquiditeit current ratio en de solvabiliteit van SALTO bevinden zich boven de norm van het ministerie, evenals de liquiditeit current ration van de SKPO.

2 Kan het college deze cijfers bevestigen?

3 Vindt het college dat de financiële positie van de grote basisschoolbesturen in Eindhoven zodanig is dat geld uit hun reserves ingezet moet worden voor beter onderwijs?

4 Zo ja, kan het college aangeven hoe zij de schoolbesturen kan stimuleren tot die inzet?

 

Antwoord van burgemeester en wethouders

1 Heeft het college de overtuiging dat het geld dat beschikbaar is voor het onderwijs allereerst moet worden ingezet voor onderwijs en pas als het werkelijk óver is, voor een spaartegoed?

Ja, het college heeft de overtuiging dat de beschikbare middelen allereerst voor on­derwijsdoeleinden moeten worden ingezet. Maar de inzet van de middelen van de scholen is primair de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Zij hebben een financiële relatie met het Rijk, i.c. het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Weten­schappen dat middels CFI de verantwoording heeft voor het toezicht op de beste­ding van de onderwijsgelden van de schoolbesturen.

Wij gaan er vanuit dat schoolbesturen op verantwoorde wijze omgaan met de beste­ding van de hun door het Rijk beschikbare gestelde onderwijsmiddelen.

2 Kan het college deze cijfers bevestigen?

De schoolbesturen hebben wat betreft hun financiële verantwoording geen ver­plichting naar de gemeente. De gepubliceerde financiële overzichten zijn verzameld uit gegevens die op 14 februari 2008 door CFI zijn verstrekt aan de Algemene Onder­wijsbond en gebaseerd op de jaarrekening van de schoolbesturen over 2006.

3 Vindt het college dat de financiële positie van de grote basisschoolbesturen in Eindhoven zodanig is dat geld uit hun reserves ingezet moet worden voor beter onderwijs?

Wij kunnen op basis van de gepubliceerde gegevens niet concluderen dat geld uit de reserves ingezet moet worden voor beter onderwijs. De cijfers zijn een momentopna­me in 2006. Dat betekent dat de financiële positie anno 2008 niet bekend is en dus ook niet de huidige financiële staat van het primair onderwijs.

Landelijk bestaat wel het beeld dat de nog recente invoering van de lumpsum finan­ciering in 2006 de schoolbesturen in 2006 extra voorzichtig gemaakt heeft bij het doen van investeringen.

4 Zo ja, kan het college aangeven hoe zij de schoolbesturen kan stimuleren tot die inzet?

Wij hebben, nogmaals herhaald, geen zeggenschap over de inzet van financiële mid­delen van de schoolbesturen. In het overleg met de schoolbesturen in het kader van

de Lokaal Educatieve Agenda wordt overigens wel geregeld van gedachte gewisseld met de schoolbesturen over de gewenste inspanning om voortdurend te zoeken naar mogelijkheden om het onderwijs te verbeteren.

Beantwoord door B&W:
Eindhoven, 27 mei 2008.

 

>terug<





 

 













Columns
Jan Vleeshouwers
Rens ten Hagen



Jan en Rens geven commen-taar op actuele onderwerpen.
lees verder >>







De Stadspartij is een pure lokale Eindhovense politieke partij, zonder de ballast en de pretenties die banden met landelijke partijen met zich meebrengen. Dat geeft de vrijheid om een zakelijke en pragmatische koers te varen, maar maakt helaas ook zwak, zoals we bij de verkiezingen van 2010 ondervonden.
De Stadspartij is onafhankelijk en kritisch. Het gaat ons niet om macht, maar om een sociale en duurzame gemeente. De gemeentelijke macht moet wel voortdurend worden gecontroleerd en ingetoomd, zo blijkt steeds weer. De Stadspartij was daarom de luis in de pels van de gevestigde politiek, en wil dat blijven, ook nu we geen plek in de gemeenteraad meer hebben.


Vragen (links)

U bent natuurlijk altijd welkom
met vragen bij de Stadspartij,
maar hieronder toch een aantal (links) die u misschien verder kunnen helpen bij vragen, problemen en of conflicten met de gemeente of overheid.
Gemeente Eindhoven >>



Het Juridisch Loket >>


Steunpunt Uitkeringsgerechtigden
Eindhoven
>>


Bestuurlijk Interventie Team
Eindhoven BITE>>




Stichting Stedenkontakt
Eindhoven-Bialystok>>




Omroep Eindhoven>>



Buurtzorg Nederland>>